Toespraak uitgesproken door ambassadeur Siblesz op zondag 4 mei 2008 op het Nederlandse Ereveld te Orry-la-Ville ter gelegenheid van de jaarlijkse dodenherdenking
Vandaag staan we stil bij degenen die in de periode 40-45 hun leven gaven voor onze vrijheid.
Dat doen we dus al 64 jaar lang. En het is dan ook beslist niet voor het eerst dat de vraag opkomt: waarom doen we dat eigenlijk?
De eerste keer was eigenlijk heel spontaan: op 8 mei 1945, de dag van de Duitse capitulatie, besloot het gemeentebestuur van Amsterdam om daags erna de gevallenen te herdenken. In de vorm van een bijeenkomst op de Dam waar twee minuten stilte in acht werden genomen en vervolgens het Wilhelmus werd gezongen. Gelet op de droeve aanleiding was de sfeer eigenlijk opvallend opgewekt; iedereen was nog in de roes van de bevrijding.
Deze eerste dodenherdenking groeide in de jaren daarna uit tot de officiële gelegenheid die we nu kennen, waarbij Nederland zijn doden herdenkt. Maar er zijn ook andere plaatsen waar, niet alleen vandaag, maar ook op andere momenten wordt stil gestaan bij deze ingrijpende periode uit onze geschiedenis, zoals de Waalsdorpervlakte in Den Haag, het Ravensbrück-monument in Amsterdam, het monument van de Dokwerker in diezelfde stad, het Indië-monument in Den Haag, erevelden bij Loenen en op de Grebbeberg en zoals ook hier vandaag in Orry-la-Ville in Frankrijk.
Dit is ook het moment om stil te staan bij het overlijden (17/11/07) van mevrouw Maggy François, in leven draagster van het verzetsherdenkingskruis. Zij was tot vorig jaar degene die namens het verzet op dit ereveld een krans legde. Ook haar overlijden illustreert dat de directe band met de gebeurtenissen van destijds steeds zwakker wordt, en roept dus eigenlijk evenzeer de vraag op die ik eerder stelde: wat is de zin van een herdenking als deze?
De vorm van de dodenherdenking op 4 mei is sinds het begin min of meer dezelfde gebleven, maar de inhoud is met de tijd veranderd. Alleen het enkele tijdverloop brengt al mee dat de nadruk minder komt te liggen op de rouw van en met de nabestaanden van de slachtoffers van destijds, en meer op de intrinsieke waarde van het door zovelen gebrachte offer in relatie tot onze hedendaagse omstandigheden.
En dat heeft misschien ook wel te maken met het feit dat de 4 mei-herdenking in het teken staat van enerzijds de slachtoffers van het nazi-geweld: joden, zigeuners, homosexuelen, burgerslachtoffers van militair geweld, gedwongen tewerkstelling en hongersnood, en anderzijds zij die konden en wilden kiezen voor daadwerkelijk verzet: het burgerlijk verzet in bezet gebied, zij die in geallieerd militair verband meevochten voor de bevrijding van Nederland, zij die de aanvoer overzee van militair materieel hielpen veiligstellen. En deze opsomming is vast niet volledig.
De eerste categorie herinnert ons er vooral aan dat we ons teweer moeten stellen tegen alle vormen van discriminatie. Want in discriminatie ligt de kern, het abjecte van de nazi-ideologie: de minachting van “de ander”, het geloof in de superioriteit van de eigen groep. En we moeten vooral niet de illusie hebben dat die waanidee voorgoed begraven is. Dat de wereld definitief geleerd heeft van die afschuwelijke periode. We zien discriminatie om ons heen, ook hier in het “beschaafde” Europa. Vaak in heel subtiele vorm of gedaante, “onschuldig” haast. En misschien maken we er ons in die lichte vorm zelf ook wel eens schuldig aan. Groepsdenken, het is zo verleidelijk.
Sinds 1945 is in allerlei teksten, internationale verdragen, resoluties, aanbevelingen en nationale bepalingen uitdrukkelijk vastgelegd dat discriminatie verboden is. Onze Grondwet zegt het heel expliciet in artikel 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.
Maar een formeel verbod is niet genoeg. We moeten het zelf naleven en laten naleven. Alert zijn als het zich om ons heen voor doet. Een samenleving die discriminatie tolereert - al dan niet oogluikend - is geen “samen-leving”.
Maar de tweede categorie leert ons dat het ook nodig kan zijn zich daadwerkelijk te verzetten tegen geweld, tegen tirannie, tegen onderdrukking. Het gebroken geweertje is geen optie. De internationale gemeenschap heeft, met vallen en opstaan, geleerd dat het tolereren van geweld geweld uitlokt. En dat goede bedoelingen en fraaie teksten niet genoeg zijn. De VN hebben gaandeweg dan ook de spelregels voor vredeshandhaving aangepast: op verschillende momenten heeft de Veiligheidsraad militair optreden geautoriseerd, niet alleen ter zelfverdediging, maar ook om de uitvoering van de missie mogelijk te maken. En dat zien we ook terug in de manier waarop die VN-missies worden uitgevoerd.
Nederland heeft deze ontwikkeling niet alleen meegemaakt, maar ook mogelijk gemaakt, bv toen het ging om ruimte te creëren voor “humanitaire interventie”, d.w.z. optreden, eventueel militair, ook tegen de zin /wil van de betrokken regering als die regering zich ten opzichte van de eigen bevolking misdraagt. Prioriteit voor de handhaving van mensenrechten boven een traditioneel respect voor nationale soevereiniteit. Dat is een trendbreuk, politiek en juridisch. Vergelijk het maar met de periode 1939-1945. Zouden de geallieerden nazi-Duitsland ook hebben aangepakt, als het zich zou hebben “beperkt” tot het uitroeien van de eigen joden, de eigen zigeuners, de eigen homosexuelen? Dat is lang niet zeker!
De afgelopen jaren zijn overal ter wereld NL militairen ingezet. Vandaag de dag in Afghanistan, in Bosnië en binnenkort in Tsjaad, vaak samen met Franse militairen. Dat is omdat er voor Nederland direct of indirect waarden en belangen in het geding waren en zijn. Stabiliteit en respect voor de mensenrechten elders is niet alleen in het belang van de betrokken bevolkingen, maar ook van onszelf.
Die inzet is geen abstract iets. Jonge mannen en vrouwen zetten hun leven of gezondheid op het spel. Zijzelf en hun dierbaren betalen in voorkomend geval de prijs van die inzet. Ook zeer onlangs weer vielen er in de provincie Uruzgan in Afghanistan slachtoffers, doden en gewonden. Wij voelen ons daar collectief bij betrokken, en wij betuigen ons respect en medeleven: het is immers mede namens ons dat onze militairen daar optreden. En als wij straks een minuut stilte in acht nemen, denken wij ook aan hen.
*****
Pour nos amis français qui ne parlent pas tous le néerlandais, en quelques mots ce que je viens de dire en néerlandais.
Aujourd’hui, nous commémorons ceux qui dans la période 40-45 ont donné leur vie pour notre liberté. Pourquoi conservons-nous toujours cette tradition?
La première commémoration était un événement tout à fait spontané: le 8 mai 1945, le jour de la capitulation des Allemands, la municipalité d’Amsterdam décidait de commémorer les victimes le lendemain.
Avec le temps, cette première commémoration est devenue la célébration officielle telle que nous la connaissons aujourd’hui, à l’occasion de laquelle les Pays-Bas commémorent leurs morts.
Dans la forme, la célébration du 4 mai n’a guère changé mais le fond, lui, a évolué avec le temps.
Cela peut-être lié au fait que notre commémoration se dirige d’une part vers les victimes des violences nazies: juifs, gitans, homosexuels, victimes civiles des violences militaires et de la famine et, d’autre part, vers ceux qui étaient en mesure d’opter pour une vrai résistance : la résistance civile dans les territoires occupées, ceux qui, avec les alliés, se sont battus pour la libération des Pays-Bas, ceux qui ont participé au transport maritime de matériel militaire.
La première catégorie nous rappelle surtout que nous devons résister à la discrimination dans toutes ses formes. Même dans notre Europe « civilisée », nous sommes souvent entourés par la discrimination, qui se manifeste souvent sous une forme très subtile. Et peut-être, la pensée nous a parfois traversé d’y adhérer dans cette forme légère. L’esprit de groupe peut parfois nous tenter.
Mais la deuxième catégorie nous apprend qu’il est aussi nécessaire de s’opposer à la violence, à la tyrannie et à l’oppression.
Avec des hauts et des bas, la communauté internationale a appris que l’acceptation de violence, provoque la violence. Et que les bonnes intentions et beaux textes ne suffisent pas.
A l’heure qu’il est, des militaires néerlandais sont engagés en Afghanistan, en Bosnie, au Tchad ou ailleurs. Souvent à côté de leur collègues français. C’est parce que nos valeurs et intérêts sont directement ou indirectement en cause. La stabilité et le respect des droits de l’homme dans des pays tiers ne sont pas seulement l’affaire des populations sur place, ils nous concernent également.
Cet enjeu n’est pas un phénomène abstrait. Des jeunes hommes et femmes y risquent leur santé ou leur vie. Ce sont eux et leurs proches qui paient le cas échéant le prix de cet enjeu.
Très récemment encore il y a eu des victimes en Afghanistan, des morts et des blessés. Nous nous sentons tous concernés : c’est aussi pour défendre nos intérêts à nous que nos militaires sont partis. Et si tout à l’heure nous observerons une minute de silence, notre pensée se dirige également vers eux.